zaterdag 14 maart 2015

Schuifelen

Aangezien het weer mee zat, liep ik door de hoofdstad. Al snel kwam ik aan bij het Museumplein, waar ik genoot van een broodje op een bankje. Ik was vroeg. Er verscheen een duif voor me. Ik wierp die wat broodkruimels toe. Soortgenoten snelden toe. Ook een meeuw. Een alleraardigst beest met een spierwit lijf en een kop die in een pot donkerbruine verf leek gedoopt en waaruit twee zacht-bruine ogen me vrijpostig aankeken. De pootjes staken af tegen het witte grint. Ik greep mijn camera om het dier vast te leggen. Toen de lens zover was, vloog ie op. Al wat me restte op de foto was de schaduw op het grint. Ook apart, maar niet zo bedoeld. Ik liep langzaam richting de ingang van het museum. Ik had het al raar gevonden dat ik moest inschrijven voor deze expositie. Weliswaar prachtige doeken van onze bekendste schilder, maar toch. Eenmaal binnen gaf ik mijn jas af. Vervolgens sloot ik aan bij de rij die wachtte om toe gelaten te worden. Dat bleek niet nodig, ik kon ongehinderd via de andere ingang naar binnen.
Waar ik in terecht kwam, tartte elke beschrijving. Ik geef toe, dat ik een ietwat romantisch en naïef beeld gekoesterd had. Als een zestal wereldberoemde musea samen werken aan het bijeen brengen van doeken, dan kost dat wat en trekt dat veel publiek. Ergens in mijn hoofd zag ik mezelf genieten van al dat moois met pak hem beet een stuk of 15 andere liefhebbers. Helaas de realiteit was heel anders. Een buslading of 8 ouderen. Verbaasd keek ik rond. Het varieerde van belegen VVD-types(met plooirok of schotse ruit met dekenspeld en met gewatteerde bodywarmers getooide dames tot kippig rondkijkende mannen met enigszins perkamenten huid) Ik voelde me als babyboomer aardig jong. Het schoot ook voor geen meter op. De rij schuifelde verdomd langzaam richting zalen. Niet gehinderd door enig sociaal acceptabel gedrag riep een vrouw: Trees, ik zie je hiehier dan om 2 uur. Lekker boeiend, mevrouw, loopt u nu maar fijn door...Wat ik inmiddels voor me zag, was niks minder dan een behoorlijk claustrofobische nachtmerrie. Rond dwarrelende bejaarden, gewapend met folders, leesbrillen, sommigen met stok of rollator en enkelen met godbetert een rondleiding. Via een apparaat met oordopjes zweefden ze door de zalen...Met de moed der wanhoop heb ik toch wat kunnen zien, tussen de grijze koppies door. Gelukkig waren de meesten niet erg groot, uitzonderingen nagelaten. Ik knipte er foto's. Op eentje stond, bleek bij thuiskomst eentje in de hoek. Alsof ie daar thuishoorde en al 400 jaar stand hield, bij de tafel van de staalmeesters. Toch vermocht de oude meester met meer dan één schilderij me te roeren. In de waanzin van zijn oude dag, toen hij al zijn vrouwen verloren had, zijn geld en aanzien en langzaam uit de mode was, trok hij zich niks aan van dat alles en schilderde door. Hij ving de menselijke kwetsbaarheid op het doek en gaf er vorm aan. En dat is nog heden ten dage volop te zien. Tijdloos. Dus wat zeur ik over de drukte?
Eenmaal vol gezogen van Rembrandts schoonheid, ging ik naar andere plekken van het museum. Op de trap met de gebrandschilderde ramen van Pierre Cuypers hoor ik opeens in overvalst Limburg een vrouw vragen: Mot eech heej noë de hiële tiët rondsjravele in dit deenk? Ik schoot in de lach.
Verderop in de eregalerij zag ik een bevlogen dame een hele groep pubers vragen stellen bij een schilderij. Ze waren gegrepen en ik zag hoe ze hen leerde kijken. Het raakte me. Er is nog hoop voor dit land. Als jongeren stil worden van kunst en verder leren kijken dan hun neus lang is, dan komt er zeker weer een Gouden Eeuw. Tevreden ging ik naar buiten. Van Rijn en Cuijpers worden bedankt. Alsof dat nog niet genoeg was bloeiden er tulpen in een grote pot in de zon.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen